Trintelen tussen 1920 en 1940

< vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 volgende >

Gedurende deze periode, na de eerste wereldoorlog, voor de tweede, bleef het aantal woningen in Trintelen vrijwel constant. Zo tussen de 30 en de 35. Het aantal was zelfs niet groter dan aan het einde van de zeventiende eeuw. Toen reeds telde Trintelen 35 woningen. In 300 jaar bleef Trintelen dus wat het aantal woningen betreft stabiel. Er werden weinig nieuwe gebouwd, wel oude opgeknapt. Als er niet meer woningen waren in 1930 ten opzichte van 1650, dan betekent dit niet, dat er niet meer mensen woonden.

In de twintiger en dertiger jaren groeide het kinderaantal per gezin aanmerkelijk, door allerlei oorzaken, die in het kader van dit verhaal niet zo van belang zijn. Dat het aantal gezinnen gedurende enkele eeuwen niet meer groeide, moet verklaard worden uit het optimaal in gebruik zijn van de beschikbare landbouwgrond. Door erfdeling waren de percelen zo klein geworden, dat vele jonge mensen uit Trintelen hun heil elders moesten zoeken.

Zo rond de jaren dertig bestond Trintelen uit vier kleine kernen. Omhoogkomend vanuit Eys zag je eerst A gen Eng, met de Trintelerhof en daartegenover boerehuizen, drie gevels naar de weg gekeerd, zeer romantisch. Dan kwam je bij het plein (der Plei). Daaromheen verschillende huizen, die er nu nog liggen. Het kleine huizencomplex aan de noordkant werd vroeger “Hölteklaos" genoemd. Dit pleintje is merkwaardig. Een klein plein met daaromheen huizen wordt in Nederland dries genoemd. Deze bouwvorm komt in het algemeen meer in de noordelijke provincies voor dan in de zuidelijke. Ook de Hamerstraat bestond reeds met de rond de huidige boerderij van Thiessen bestaande woningen. Richting Bosschenhuizen ging je “de Putskoel aaf”. Zelfs aan de Groeneweg lagen drie woningen, die nu verdwenen zijn. Als je dan de Karsagestraat (de huidige Eyserweg) vervolgde, liep je lang door de wind en het veld. Pas aan het einde volgde het vierde deel van Trintelen in de buurt van het kruispunt bij Mingersborg.

Het was toen stil op de wegen. Autoverkeer was er nauwelijk en de mensen uit Trintelen vervoerden zichzelf per kar of per fiets of liepen te voet langs de grindwegen. Want asfalt was er niet. Alle wegen, die nu geasfalteerd zijn, waren bedekt met een laagje grind. Als het regende moest je de volgelopen kuilen en kuiltjes omzeilen, als het droog was en waaide, zat je van boven tot onder onder het stof. Af en toe werd de grindlaag vernieuwd. De grondstof, de kiezel, was in Trintelen zelf voorhanden. Er waren verschillende kiezelgroeven, waarvan die van Spiek wel de voornaamste was. Deze lag aan de Groeneweg. Ofschoon Trintelen op löss gebouwd is, ligt toch op veel plaatsen het grind, het zand, vrij dicht aan de oppervlakte. De Trintelse grond is op veel plaatsen niet zo vruchtbaar als hij lijkt. De vruchtbaarste lössgronden liggen tussen de Horensweg en de Kromhagerweg, aldus zegslieden. Verdere “grindkoelen” lagen o.a. in de buurt van Mingersborg. De kantonnier was belast met het aanvullen van de grindlagen op de wegen. Dat gebeurde met kruiwagen en schop. De veldwegen waren dezelfde als nu, echter vaak modderig en hobbelig. Als dit de spuigaten uitliep, werden de boeren opgeroepen om te “botten”. Ze begaven zich dan met paard, wagen en schoppen naar de wegen en maakten deze weer begaanbaar en berijdbaar.

Het verkeer bestond, zoals reeds verteld, hoofdzakelijk uit wandelaars, fietsers en boerekarren en dogkarren (hondekarren). Deze karren werden ’s zondags vervangen door rijtuigjes. Daarmee toog men ter kerke, naar Eys, en dat soms driemaal op een zondag, naar de vroegmis, de hoogmis en het lof. Als je daar dan nog de etenstijden en de veeverzorgingstijden bijtelt. dan is duidelijk dat er geen tijd was voor frivole ontspanning. Werken en bidden, dat was het patroon. De eerste auto in Eys en omgeving was die van Mr. Frowein, directeur van de Staatsmijnen, die huisde op kasteel Goedenrade. Zijn auto droeg de nummerplaat: P6. In Trintelen bezat Frans Meijs de eerste auto. En Spiek had de eerste radio. Ook kwam in die tijd zo af en toe de stoommobiel van Dabekausen uit Heerlen de Trintelerberg op. Deze stoommobiel trok twee aanhangwagens, waarvan er een in Eys achterbleef, waarna de stoommobiel puffend de andere wagen de berg op sleepte. De wagen was gevuld met kiezel of kalk voor de velden of witkalk voor de huizen.

Langs de wegen bevonden zich hier en daar zogenaamde “koelen”, waterpoelen om het vee te drenken. Zo was er een tegenover het huidige huis “De Roskoel” en ook op de plaats, waar nu de Juniden staat. Ook aan de Groeneweg en bij de Trintelerhof waren zulke poelen. Ze werden gevoed door de regen en dienden om het vee te drenken. Bij grote droogte moest men soms met paard en kar naar de Eyserbeek om water voor het vee te halen. Deze koelen waren niet diep, maar toch gevaarlijk voor kinderen. Deze kleintjes werden door de mensen bang gemaakt voor deze poelen. Daarin huist de “haokeman”, werd gewaarschuwd. Op het pleintje stond toen in volle glorie de put voor het water van de mensen.

Deze putten zijn waarschijnlijk ontstaan in de 19e eeuw, toen men de kunst meester raakte om diep te metselen. Die van Trintelen geniet bekendheid om zijn diepte, die volgens geraadpleegde boeken 70 meter zou bedragen. Tot nu toe is zelf meten achterwege gebleven, misschien om geen teleurstelling te ervaren. De mensen haalden aan de put hun kook- en waswater. Met twee wateremmers aan de “haam” ging men naar de put, nadat de sleutel was gehaald bij de oude Weerts, die de zorg voor de put droeg. Rond de put trof men dan de buurtbewoners en wisselde men nieuws uit, het droevige en het verheugende. Als er iets gerepareerd moest worden ging Weerts langs de huizen om een kwartje te vragen voor herstel. De buurtvereniging in staat van wording.

De huizen in Trintelen waren hoofdzakelijk in vakwerk opgetrokken, maar vaak aan de buitenkant met pleisterwerk bestreken. In de huizen was nog geen electriciteit. Deze kwam pas in 1926. Daarvoor werd carbid gebruikt en later petroleum. Die petroleum werd gekocht aan een karretje, dat regelmatig in het gehucht kwam. Ook toen reeds werden reclamefolders uitgedeeld. De “automaat” zoals de petroleumman werd genoemd, deelde tegelijk met de kannen petroleum het stripverhaal "De automaat” uit. En op zijn karretje stond de wervende spreuk: “Hoe het Pijpje Drop vergaat, staat in de volgende automaat”. Gestookt werd er met “schlamm”, een natte kolenbrij, die overbleef na het wassen van de kolen in de wasserij van de mijn. Een merkwaardig afvalprodukt van de kolen was het “gedeks”. Dit was kolengruis, dat vermengd werd met leem, het gruis werd “gedekst” tot “klute”. De verbrande resten werden “klutedrek” genoemd. Verder had iedereen wel zijn houtvoorraad om de winter door te komen. Over nootjes 4 heb ik mijn zegslieden niet horen spreken. Die zullen wel voor die van Heerlen bestemd geweest zijn. Men ging vroeg naar bed, want velen maakten lange werkdagen.

Allereerst de boeren, waarvan er slechts enkelen van de boerderij konden leven. De meeste boeren waren keuters. Enige koeien, varkens en kippen, slechts zelden een paard. ledere gelegenheid om elders een centje bij te verdienen werd aangegrepen. Zo trokken verschillende Trintelse mannen iedere morgen te voet naar de ijzergieterijen van Rote Erde ten Oosten van Aken. Zij legden per dag 30 km te voet af en werkten daartussendoor nog een uur of tien. Wat een tijden, wat een prestaties. Als je nu sommigen met trots hoort spreken over de 20 km, die zij in het weekend al wandelend aflegden, dan is dat toch niet meer dan een ommetje vergeleken met die noodgedwongen voettochten in de twintiger jaren. Ook de schoolgaande kinderen liepen tweemaal per dag naar Eys over de Eyserweg of de Horensweg (de Heur). ‘s Morgens namen zij de koeien mee naar de wei en op de terugweg, ‘s middags, dreven ze deze weer terug naar de stallen. Ook jonge vrouwen uit Trintelen togen naar Aken om er te dienen bij de “Herrschaften”. Zelfs trokken vrouwen met de korf op het hoofd naar de Akense markt om daar hun schamele voorraad kaas, eieren en fruit te verkopen.

Later kwam ook de markt van Heerlen in zwang. Harde tijden moeten dat geweest zijn. De boereknechten en de dagloners genoten ‘s middags van twaalf tot twee van een dutje (“ungeren”) bij het pleintje. Ook op warme avonden was daar de jeugd aanwezig.

De boereknechts sliepen meestal in de paardestal op een “strooiepuus”. Zij moesten vroeg op om de paarden te verzorgen en zij moesten veel sjouwen. Twee ladders omhoog met een zak van 100 kg haver was gewoon. Alle tarwe, gerst en rogge werd zo hoog mogelijk opgetast, want de benedenvloer was nodig voor bijvoorbeeld het dorsen. Heel bekend in die jaren was de rode tarwe, een Siegelander landras. Het brood werd zelf gebakken. Meestal werd het deeg in een trog met de voeten gekneed door de mannen. Het bakken gebeurde door de vrouwen. Het was de tijd van de grote gezinnen. ledere vrouw baarde wel zo’n 6 tot 8 kinderen.

En dat leefde hard werkend samen in kleine huisjes. Gelukkig ontstond er in de dertiger jaren werkgelegenheid in de kolenmijnen van Heerlen en omstreken. Sommige jongens dankten hun nieuwe baan aan de heer Frowein, directeur van de staatsmijnen, die op kasteel Goedenrade woonde. Aileen als hij op de Trintelse velden op jacht ging, kon je beter je hond binnenhouden. Hij was in staat om behalve het wild ook je hond af te schieten, als die voor zijn loop kwam. Veel wild echter werd voor zijn neus weggestroopt. Heel Trintelen was een stropersnest.

Was er dan nooit eens feest in Trintelen? Jawel, eens per jaar, als er kermis was. Dan werd eerst de bakoven op volle toeren gezet en daaruit kwamen te voorschijn 30 vlaaien, 10 taarten en tot slot een echte ham met kruidnagel en andere specerijen. Dan werd er gegeten, gedronken en gedanst in de twee cafe’s van Trintelen. Maar niet ‘s zondags. Dat was verboden door de pastoor. En de burgemeester en de veldwachter en de kantonnier waren het daarmee eens. Er was in Wittem nog geen scheiding van kerk en staat. Toch waren die van Trintelen stout. Op kermiszondag werden wachten uitgezet bij de ingang van Trintelen en dan danste men zich in het zweet onder begeleiding van de accordeonspeler Sjo Haenen. Ook in de andere dorpen kende men deze clandestiene danspartijen in Trintelen, zodat de kasteleins goede zaken deden. Van heinde en verre togen op kermiszondag familieleden en vrienden naar Trintelen om zich te vermaken tijdens het weidefeest.

De harmonie en de schutterij kwamen de berg op en de cramignon werd gedanst. ‘s Avonds trokken de gasten per fiets naar huis met achter op de bagagedrager een schoenedoos vol vlaai. Op gewone zomerzondagen trok de jeugd van Trintelen, Ubachsberg en de Huls naar de Vrouwenheide. Hier op deze hoogte met schitterende vergezichten tot de Eifel en tot de Maas zullen veel meisjes en jongens elkaar diep in de ogen gekeken hebben en zo zal menig gezin daar zijn oorsprong gevonden hebben. Verder bestond de zondag vooral uit kerkgang naar Eys, zeker tweemaal, vaak driemaal. Te voet meestal, want met de fiets naar de kerk werd als een beetje heidens ervaren. Zeker de vrouwen mochten dat niet. De pastoor kwam vaak naar het gehucht en kende zijn pappenheimers van haver tot gort. Dikwijls zag de pastoor ze ook afdalen naar Eys met een boreling op hun armen. Dan werd er weer een christen in de boeken geschreven. Na afloop ging men dan meestal even naar het cafe tegenover de kerk om zich wat warmte in te drinken. Zo is het eens gebeurd, dat men een nu achtenswaardige Trintelenaar als pasgedoopte baby vergat en liet liggen op de toonbank. Bij terugkomst in Trintelen bemerkte men de fout en spoedig denderde een sjeesje naar beneden om de ongelukkige op te halen. Hij heeft er niets van overgehouden. Wat de boeren, keuters en mijnwerkers nodig hadden en niet zelf konden produceren, werd gekocht in de winkel van Geurts. Die had alles, een echte bazaar, van textiel tot kruidenierswaren, van draad tot spijkers. Later kreeg hij concurrentie van de bakfietsen van De Gruyter en Albert Hein, die tot Trintelen doordrongen.

Veel ziekten, zowel van mens als vee, werden genezen door wonderdoeners en gebedsgenezers. Er was een vrouw die muizen, ratten, mussen en bladluizen te lijf ging met gebed. En dat hielp. Een man kon de hoefziekte genezen, een ander wratten bij koeien. Spek in de grond steken hielp voor van alles. Zo leefde Trintelen volgens mijn zegslieden tussen de twee wereldoorlogen, hard werkend, sober levend, arm maar gelukkig.

terug                                                                              verder