De Tweede Wereldoorlog (1940-1945)

< vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 volgende >

Op die zomerse meidag, 10 mei 1940, werd de nachtrust van de Trintelse bevolking wreed gestoord door vele overvliegende Duitse oorlogsvliegtuigen. “De Pruus kumt”, wisten de mensen. En om 5 uur in de morgen trokken vanuit Eys honderden Duitse infanteristen, gevolgd door tanks en gevechtsvoertuigen Trintelen binnen. “Wo wollen sie hinn”, vroeg argeloos een Trintelse vrouw. “Nach England”, zei een Duitser. Engeland hebben ze gelukkig niet gehaald, maar het duurde wel meer dan vier jaren, voor Nederland ze kwijt was, ook Trintelen. En wat voor jaren. In Trintelen bestond eerst spanning over de terugkeer van de Trintelse jongens, die in het Nederlandse leger dienden. Daar was b.v. Hub Huveneers, die met zijn terugwijkend legeronderdeel tussen de Hollandse waterlinie terecht kwam. Zoveel water in de plaats van de Limburgse heuvels en daarbij de dreiging van de achtervolgende Duitsers bezorgden hem angstige dagen. Een week na de capitulatie was hij gelukkig weer thuis. Daar was ook Hub Thiessen, die in de Peel lag en na een lange mars door Brabant en België tegelijk met de verslagen Franse soldaten in de Belgische badplaats De Panne terecht kwam, vlak bij Duinkerken, waarvandaan duizenden Belgen, Fransen en Engelsen probeerden over te steken naar Engeland. In die fuik werd Hub gevangen genomen, maar kon spoedig terug naar huis. Na een ingewikkelde tocht bereikte hij Trintelen één maand na de capitulatie. Toen zijn vader werd verwittigd van de aanstaande terugkeer van zijn zoon, zei hij: “As dae nou mer neet verbei löpt”.

Na de capitulatie hervatte het gewone leven zijn gang. Maar spoedig bemerkten de boeren van Trintelen, dat de Duitsers aan de leegroof van Nederland begonnen waren. Levensmiddelen kwamen op de bon. In de steden waren eieren, boter, melk en vlees duur en schaars. In Trintelen was daarvan in overvloed. De stedelingen leerden Trintelen kennen. Ze kwamen aan de deuren van de boeren om te kopen en ze kregen hun boter, hun eieren, hun varkensvlees. Voor goede prijzen, sommigen vroegen zelfs woekerprijzen. De economie van Trintelen bloeide, ondanks de controle van de CCD, die echter ogen en oren tekort kwam. Zo streng waren deze controleurs niet. Toen een van hen in een schuur kwam om deze te inspecteren, sprong plots een gemest varken van de eerste verdieping omlaag. Daar had de boer het varken verscholen. “Zorg det det voet kumt”, was het enige commentaar van de controleur. Graan groeide overvloedig op de Trintelse akkers. Sommigen hadden een eigen molentje, maar de meesten togen met zakken van 25 en 50 kg de Putskoel af naar Bulkem’s molen om daar te laten malen. Koolzaad werd een verplicht te telen gewas. Vindingrijke dorpsbewoners produceerden primitieve molentjes om koolzaadolie te slaan.

In 1942 en 1943, toen de grote bombardementen van de geallieerden op het Ruhrgebied op gang kwamen, werden de Duitse bezetters lastiger en wreder. Ook het verzet tegen de Duitsers werd groter. Echte verzetshelden heeft Trintelen niet voortgebracht.

Klein verzet was er zeker. Toen de radio’s moesten worden ingeleverd, deden velen dat, maar zeker niet iedereen. Zo moest een dorpsgenoot zich melden bij de politie in Mechelen, omdat hij ervan werd verdacht de radio niet ingeleverd te hebben. Met lood in de schoenen verklaarde hij, dat hij de radio pas geleden had geruild voor een fiets. De politie accepteerde zijn verhaal en zo kon hij iedere dag verder luisteren naar Radio Oranje en doorvertellen, wat hij hoorde. Dezelfde persoon nam in samenspraak met zijn zuster een Joods kind in huis op. Zelfs zijn ouders en zijn broers wisten niet beter, dan dat zij een ondervoed Rotterdams kind hadden aangenomen, zoals meer gebeurde in de oorlogsjaren. Het Joodse meisje bleef tot het einde van de oorlog en kon later overgedragen worden aan de moeder, zij het met pijn in het hart. Niemand in Trintelen wist hiervan. Zwijgen was in die jaren van levensbelang.

De bombardementen op Aken en omgeving werden verhevigd en vele avonden en nachten brachten de mensen van Trintelen in de kelders en schuilplaatsen door. Spoedig viel er een verdwaalde bom in Trintelen, in de buurt van de Kattemoat. Ze veroorzaakte een grote trechter. Door de klap vlogen pannen van de daken en sprongen vele ruiten. Erger was het korte tijd later. In oktober 1943 moest een geallieerd vliegtuig zijn bommenlast kwijt in een achtervolging met een Duits jachttoestel. Op de plaats waar nu de boerderij van Voncken ligt, woonde toen de familie Urlings. Ook zij hadden een boerderij. Terwijl zoon Mat in de keuken zat en de rest van de familie in de kelder, zag hij ineens fel licht in de stallen en binnen enkele seconden stond de boerderij in lichterlaaie. De familie kon zich amper redden, maar slaagde er toch in het vee te bevrijden. Van afstand zag de familie hulpeloos hoe de hele boerderij, incluis de inboedel, tot de grond afbrandde. Later telde men in Trintelen 92 fosforbommen, die ook elders in het gehucht schade veroorzaakten. Zo gingen ook drie hooimijten in vlammen op, behalve die van Spiek. De familie Urlings yond voorlopig onderdak en moest opnieuw beginnen. Schade werd niet vergoed, maar niemand had enig letsel opgelopen. Zo troostte vader Urlings zijn kinderen: “De boerderij is weg, maar jullie zijn gezond, dus niet klagen.”

Verschillende Trintelse mannen maakten intussen in de mijnen overuren om Nederland (en ook de bezetters) steenkool en dus energie te leveren. Zelfs ‘s zondags daalden zij af om te delven. Ze werden hiervoor beloond met een fles jenever, worst, chocola en sigaretten. Deze lekkernijen werden soms uitgedeeld in de cafe’s van Eyserheide en Elkenrade, als grote groepen jongeren daar hun vertier zochten. Daar was het bier iets goedkoper dan in Trintelen en het bier werd versneden met de jenever.

In de loop van 1944 was duidelijk, dat de Duitsers moesten wijken voor de geallieerden. De bevrijding kwam steeds dichterbij. De Duitsers verdedigden zich wanhopig. Ze schakelden steeds meer burgers, ook mensen uit Trintelen, in om loopgraven te delven. De meeste Trintelse mannen werden tijdig gewaarschuwd als Duitsers, geholpen door de Wittemse politie, in aantocht waren om jonge mannen te recruteren. Zij verdwenen dan in groepjes in de velden, hoewel er ook wel eens een enkeling werd gegrepen, die dan mee moest om te graven langs de rijksweg Gulpen-Vaals. In Trintelen eisten terugtrekkende Duitsers slaapplaatsen op en roofden tegelijkertijd levensmiddelen.

Op 16 september 1944 was het dan zover. Schoten en gedaver van tanks werden gehoord vanaf de Wittemerweg. Landbouwers brachten zo snel mogelijk hun vee in veiligheid en riskeerden daarbij inslaande granaten vlak in hun buurt. De laatste kolonne Duitsers verschool zich in de laagte aan het einde van de Groeneweg. “Wir wollen kampfen”, riepen ze naar enkele dorpsbewoners. Intussen kon men de tanks op de Wittemerweg zien en de granaten vlogen in de richting van de vluchtende Duitsers. De Amerikaanse tankkolonne rukte spoedig vanaf Eys de heuvel op naar Trintelen. Bij Mingersborg lag een gewonde Duitse soldaat. Hub Huveneers, Rode Kruishelper, fietste er naar toe om hulp te bieden. Hij kwam te laat, de gewonde was door zijn eenheid opgepikt en meegenomen. Op zijn terugweg kwam Huveneers op Trintelen tussen de linies terecht. Hij fietste de Amerikanen tegemoet en was bevrijd, zoals snel heel Trintelen. De laatste Duitsers werden bij de Groeneweg gevangen genomen. Hun “kampfen” was voorbij. Trintelen herademde en dat in kermistijd. De oprukkende Amerikaanse troepen werden feestelijk getracteerd met versgebakken vlaai. Het leed was geleden, de angst voorbij. De Amerikaanse chocola was zoet, de corned-beef was lekker. Na vier bezettingsjaren kon iedereen zich weer vrij bewegen. De heropbouw kon beginnen. Trintelen doorstond deze donkere jaren lijdzaam, geen grote verzetsdaden, geen gevaarlijke verraders.

 

terug                                                                     verder