Brokstukken uit de geschiedenis van Trintelen van 800 - 1900

< vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 volgende >

Inderdaad brokstukken, beter nog brokstukjes. Je vindt in oude beschrijvingen en wetenschappelijke studies hier en daar wat, brokstukjes, die je dan aan elkaar metselt, waardoor een zeer algemeen beeld ontstaat, dat hierna wordt beschreven.

Na de dood van Karel de Grote viel zijn rijk uiteen in drie stukken. Gedurende de vroege middeleeuwen werd dit rijk verder opgesplitst door oorlogjes, huwelijken en erfenissen in talloze kleine vorstendommetjes, bestuurd door adellijke families. Rond 1100, zo blijkt uit de oudste geschriften over deze streken, ontwikkelde zich de heerlijkheid Wittem. Dit vorstendommetje breidde zijn gebied uit en zijn grenzen werden tenslotte gevormd door de huidige grenzen van de gemeente Wittem. Zo is dus Trintelen reeds vanaf 1100 de noordelijkste punt geweest van eerst de heerlijkheid Wittem, later de gemeente Wittem. Achteraf dus juist, dat bij de gemeentelijke herindeling Trintelen bij Wittem bleef en niet werd ingelijfd door Simpelveld. Zo werd recht gedaan aan de geschiedenis. Min of meer onafhankelijk van de heerlijkheid Wittem ontwikkelde zich, ook reeds vanaf 1100 de onderheerlijkheid Eys (Hanzon, Ainse, Heyse, Eyse). De Heer van Eys was schatplichtig aan de heerlijkheid Wittem, maar niet altijd van harte, zodat zich soms kleine oorlogjes voordeden tussen beide Heren. Trintelen, dus gelegen aan de uiterste noordgrens van de onderheerlijkheid Eys zal zeker vaker het toneel geweest zijn van botsingen tussen verschillende kleine vorsten. Gebiedsuitbreiding, waarnaar allen streefden, begint uiteraard vanaf de uiterste grenzen. Het is bekend, dat zelfs beroemde personen door de heerlijkheid Wittem togen en er soms tijdelijk verbleven. In historische volgorde waren dat Paus Leo III (804), Otto de Grote (906), Bernardus van Clairvaux, die in 1146 opriep deel te nemen aan de kruistochten, Karel V in 1520 en Willem van Oranje, die tijdens de 80-jarige oorlog hier in deze streken Alva een smadelijke nederlaag toebracht. Wellicht zijn verschillenden hiervan door Trintelen getrokken, want vanuit Trintelen liepen reeds vanaf de vroege middeleeuwen verschillende wegen naar Eys en Overeys. Twee generaties wegen zijn te onderscheiden. De Steenweg (nu Eyserweg) liep reeds in 1520 vanaf de kerk langs de zich aldaar bevindende gracht langs de dalwand naar Drintelen. Zo noemt Gorius van Son, schout te Eys, ons gehucht. Op oude kaarten wordt ook de naam Trientelen gebruikt.

Deze Gorius schrijft, dat deze weg een drievoudige bestemming had. Hij was misweg, tiendweg en “lickwegh”. Deze laatste functie betekent lijkweg, waarlangs de doden naar het kerkhof werden gedragen. De schout kwam regelmatig controleren of deze lijkweg goed onderhouden werd. Er staat geschreven: “Als aldaar de lijkweg bedorven is, dat hij niet is vier landmeeters voeten breed om de dooden ter kerke te dragen, dan zal men berechten naar rechte of naar groote Gods genade.” Twee andere wegen naar het dal van Eys waren en zijn de Kromhagerweg en de Horensweg. De Kromhagerweg is de oudste. Dat kan men zien op de afgedrukte kaart van Trintelen en Eys van rond 1700. De perceelgrenzen eindigen bij de Horensweg niet aan de weg, maar lopen er overheen, wat bij de Kromhagerweg niet het geval is. Dit duidt erop, dat de Kromhagerweg de oudste is, doch beide zijn eeuwenoud.

Wie woonden toen in Trintelen? Hoofdzakelijk kleine landbouwers. De geschiedenis en de ontwikkeling van Trintelen is de geschiedenis en de ontwikkeling van de landbouw. Daarover nu meer.

Eerst iets over de grond. De lösslaag op de Trintelse hoogten is vrij dun en vaak gemengd met verweringsklei uit het daaronder liggende krijtgesteente. Hierdoor is de grond zeer zwaar. In droge toestand hard, bijna steenachtig, in natte toestand kleverig. Vandaar de naam “klevenaerd” voor deze moeilijk te bewerken grond. Tot en met Karel de Grote waren de hoogten bedekt met bos en hei. Met de ontwikkeling van de kleine vorstendommen begonnen ook weer de ontginningen van de hooggelegen gronden. Dit kon alleen met uiterste krachtsinspanning en met mechanische middelen. De oudste ploeg was het “eergetouw”. Ze bestond uit een schaar, die de grond met de stompe punt loswoelde. Men ploegde in twee loodrecht op elkaar staande richtingen, vrij ondiep. Zo ontstonden de eerste ontginningen, blokvormige stukken. Later ontstond de risterploeg, die een reep grond lossneed en deze omgekeerd terugdeponeerde, de oervorm van de huidige ploegen. De eerste ploegen waren van hout en zeer zwaar. Keren was uitermate moeilijk. Daarom maakte men de percelen zo lang mogelijk, een patroon, dat nu nog terug te vinden is in de vele percelen in en rond Trintelen.

In het begin waren de ontgonnen gronden gemeenschappelijk, later ontwikkelde zich de persoonlijke eigendom. Tengevolge van erfdeling werden de stukken steeds kleiner, zoals duidelijk te zien is op de afgedrukte kaarten. AIleen het pleintje met zijn drinkpoel is gemeenschappelijk gebleven. Vroeger gemeenschappelijk eigendom van de mensen uit Trintelen, nu gemeentelijk eigendom. Een gedeelte van het huidige plein wordt door de buurt zelf onderhouden, een overblijfsel dus van de middeleeuwse situatie. Omdat de ontgonnen grond steeds verder verdeeld werd, slonk de omvang van de boerderijen. Zo verminderde de bedrijfsomvang per boerderij tussen 1500 en 1750 in Trintelen van gemiddeld 4 ha tot 2,5 ha. Tengevolge hiervan moesten steeds meer jonge Trintelse mannen het gehucht verlaten of blijven en ander werk zoeken.

Er zijn interessante gegevens bekend over Trintelen vanaf 1500 tot ongeveer 1800. In 1540 telde Trintelen 26 woningen, terwijl er in het gehucht Eys 13 waren. Inderdaad het staat er: Trintelen voluit, bij Eys de toevoeging gehucht. Het kan verkeren. Pas rond 1800 passeerde Eys Trintelen. De statistieken geven dan 38 woningen aan in Eys en 32 in Trintelen. Dit laatste aantal werd ook geteld aan het einde van de tweede wereldoorlog, in 1945 dus. Stilstand in Trintelen, meer dan 250 jaar, vooruitgang in Eys. De emigratie vanuit Trintelen naar omliggende dorpen en steden moet eeuwenlang groot geweest zijn. Hoe kwam dat?

Zoals reeds verteld, de grond was geheel ontgonnen en de boerderijen werden door erfdeling steeds kleiner. Trintelen barstte uit zijn voegen. De jonge mensen moesten elders proberen iets te verdienen of verhuizen. Eerst konden ze terecht in de opkomende textielnijverheid in Vaals e.o. Later trokken ze verder, naar de ijzergieterijen in Aken, het opkomende Ruhrgebied. De landbouw kende in deze streken een dieptepunt tussen 1770 en 1850.

Geld was er niet te verdienen, hoogstens konden de kleine boeren voorzien in hun eigen levensonderhoud. Ais je de beroepenindeling in Trintelen bijvoorbeeld in 1797 (toen werd er een volkstelling gehouden) bekijkt, dan was er toen 1 pachter met meer dan 8 ha (De Trintelerhof, waarover later) er waren 13 keuterboeren met ieder minder dan 4 ha, verder 6 dagloners, 3 spinners, 1 kleermaker, 1 schoenmaker, 1 smid, 1 kuiper, 1 voerman, 3 meiden of knechten en 1 notaris. Zou deze laatste een vroege forens geweest zijn of zou deze hier een riante kostwinning hebben gehad met al die delingen? Uit deze opsomming blijkt, dat Trintelen intussen geen echt boeredorp meer was. Reeds in 1750 had bijna de helft van de kostwinners een ander beroep. De mijnindustrie zorgde pas veel later voor werkgelegenheid in dit hooggelegen gehucht.

Het ligt nu voor de hand iets meer te vertellen over de Trintelerhof, de enige grote hoeve in Trintelen waarvan de eerste schriftelijke gegevens bekend zijn sinds 1504. Toen besloeg het landbouwareaal van deze hoeve 33 ha. Deze oppervlakte heeft nogal gewisseld in de loop der tijden. Zo mat de Trintelerhof in 1663 nog maar 29 ha en in 1776 slechts 18 ha. Maar in 1787 was hij weer 29 ha groot. De percelen rondom de boerderij, gelegen “op de Horens”, langs het “Ackervoetpad”, in de “Wockelder” en aan de “Kromhagerweg” hebben sinds meer dan 300 jaar tot de hoeve behoord. Vaak moesten eigenaren grond verkopen, omdat doortrekkende legereenheden oorlogsschatting vroegen. Zo betaalden de eigenaren van de Trintelerhof achtereenvolgens geld aan Spaanse, Hollandse, Duitse, Franse, Engelse en zelfs Lithouwse oorlogsbenden. Deze eigenaren waren eerst adellijke lieden, die elders woonden en de hoeve verpachtten. Een der eerste eigenaren was Herman van Bree, die wegens schulden de hoeve in 1669 moest verkopen aan Van Schell, een Luikse oud-burgemeester. Terwijl de Van Bree’s nog van adel waren, was Van Schell dit niet. Deze was een rijke burger. In deze periode zie je overal eigendom van de inmiddels verarmde adel overgaan in de handen van rijke burgers. Zo ook de Trintelerhof. Later hadden de Olieslagers, een burgemeestersfamilie uit Maastricht, de hoeve in eigendom. In 1842 volgde Dhr. Kerens de familie Olieslagers op. Later kwamen de Crassiers. De hoeve werd gedurende de 19e eeuw uitgebreid tot 53 ha. In 1936 werd de omvang teruggebracht tot 42 ha. Nu is deze statige hoeve eigendom van de landbouwer Hub Huveneers, die de hoeve steeds ter beschikking stelde als Trintelen feest vierde.

De Trintelerhof is een geklassificeerd bouwwerk en staat onder Monumentenzorg. Zij is hoofdzakelijk opgebouwd uit Kunradersteen en er is een grote binnenplaats. Op deze binnenplaats is een schuur, die een segmentboogpoort heeft en het ankerjaartal 1724 draagt. Men moet zich van de veestapel in de 17e eeuw geen grote voorstelling maken. Voldoende veevoer produceren was moeilijk. Pas toen na 1700 de verbouw van klaver in zwang kwam, kon men de veestapel uitbreiden. Zo bezat de Trintelerhof in 1674 2 paarden, 1 koe, 2 runderen, 6 varkens en 25 schapen. Onvoorstelbaar weinig volgens onze huidige normen.

Een ander oud agrarisch bedrijf is dat van de familie Thiessen. Ook over dit bedrijf en deze familie zijn enige historische gegevens voorhanden, die hierna volgen. Boven de voordeur is een eikehouten balk ingemetseld, waarop de volgende zin is ingebrand: Anno 1708 stehet diesen Bau in Gottes Hant. Zo lang woont de familie Thiessen, vroeger Thijssen geschreven, reeds “op benannte haemer”, zoals in oude akten staat. Herhaaldelijk is de boerderij verbouwd. Uit 1824 is een delingsakte bewaard gebleven. Het gehele bezit werd in vijf delen gesplitst en door loting toegewezen aan een van de vijf kinderen. Zo kwam de stamhouder van de huidige familie Thiessen in het bezit van “ein Haus, Kaemer, kleen Kaemer und Keller, Schaepstael, Schop mit der Backofen” en 32 roeden land. Het valt op, dat de ligging van de landbouwgrond zeer uitvoerig beschreven werd. Het kadaster, in de Franse tijd ingevoerd, had Trintelen nog niet bereikt. Bij ieder stuk land wordt beschreven aan welke eigenaren de belendende stukken behoorden. Bijna ieder stuk land had zijn eigen bij de gemeenschap bekende naam. Het valt op, dat zelfs in 1824 nog tienden bestonden. Zo moest de genoemde Thijssen voor twee stukken land twee vaten rogge per jaar leveren aan de kerkfabrieken van respectievelijk Simpelveld en Eys. ln 1872 werd weer bij een deling het woonhuis in tweeen gesplitst. Deze splitsing bestaat nu nog. Het met de topgevel aan de straat liggende huis kwam in het bezit van de met een Thijssen’s meisje getrouwde Spijkers, “Spiek” geheten in Trintelen. Dezelfde Spiek, die later een grindgroeve exploiteerde en de eerste radio bezat. Uit de bewaard gebleven primitieve boekhouding van Spijkers blijkt, dat tot aan de eerste wereldoorlog de Belgische frank de gangbare rekeneenheid was. Pas in 1915 verschijnt de eerste rekening in guldens. Zo wordt aan Spiek 10 uur arbeidsloon in rekening gebracht voor zegge en schrijve f 1,60, 16 cent per uur dus.

Of Trintelen veel gemerkt heeft van de eerste wereldoorlog is niet bekend. Wel werd een gemeentelijke verklaring gevonden, waaruit blijkt, dat van Spiek in 1915 een paard gevorderd werd.

Brokstukken uit een lange geschiedenis van een hooggelegen gehucht. Deze hebt U kunnen lezen in de voorgaande bladzijden. We zijn nu terecht gekomen in een fase van de geschiedenis, waarover getuigen gehoord kunnen worden. Met deze getuigenissen wordt het verhaal van Trintelen vervolgd.

terug                                               verder