De waarschijnlijke Ondergang van een Hooggelegen Gehucht

< vorige 1 2 3 4 5 6 7 8

Het gehucht, waarin ik woon, ligt in het uiterste zuid-oosten van mijn vaderland. Hemelsbreed is de Duitse grens ongeveer 4 kilometer en de Belgische grens ongeveer 6 km van mijn gehucht verwijderd. Het dorpje ligt voor Nederlandse begrippen in het hooggebergte, op 206 meter boven Amsterdams peil. Bij helder weer zie ik naar het zuiden de contouren van de Eifel en de Ardennen en naar het noorden zie ik bij avond het gele natriumlicht langs de autoweg, die regelrecht naar mijn hoofdstad Amsterdam voert. Er staan nu 50 huizen, waarin ongeveer 150 mensen wonen.

 

In het centrum, op een pleintje, bevindt zich een oeroude put, die volgens de dorpelingen 70 meter diep is. Daarnaast staat een bank, die vooral tijdens de weekeinden wordt gebruikt door vermoeide fietsers en wandelaars, die uitrusten na het bestijgen van de hellingen, die vanuit de vier windstreken naar het dorpje voeren. Eenmaal in de vijf jaar is er groot feest in het gehucht met bier en vlaai. Eens in de drie jaar komt de grote processie met harmonie en schutterij naar het gehucht. Er heerst nu nog rust, vrede en orde.

 

Na 1992 gaat daarin verandering komen. De door de landsregering benoemde gouverneurs van dit Nederlands aanhangsel hebben in het recente verleden via de media laten weten, dat dit landsdeel het Nederlandse balkon wordt met uitzicht op een verenigd Europa. En wie zal niet graag op dit balkon plaatsnemen? Tot nu toe moest ik mij, om kennis te nemen van de andersgeaardheid van de ons omringende volken, per auto of per trein een weg banen in zuidoostelijke, zuidelijke of zuidwestelijke richting. Alleen zo maakte ik kennis met bijvoorbeeld de Schwaben, de Bretonnen en de Romeinen.

Zo stond ik met dorstige, buikige Beieren in een “Munchener Bierstehhalle”. Zo zat ik op zonnige terrassen in de Provence te keuvelen met provençaalse Fransen, die nog nooit van koningin Beatrix gehoord hadden. Zo wandelde ik door Toscane en raakte ervan overtuigd, dat daar de bronnen van onze cultuur liggen. lk kwam dan terug in mijn gehucht met een schat aan woord- en beeldmateriaal over stug doorduwende Duitsers, egoistisch redenerende Fransen en drukdoende ltalianen.

 Na 1992 zijn deze reizen overbodig. Immers, mijn gehucht ligt dan op het balkon, van waaruit ik de Europeanen kan bekijken. Het zal dan druk worden op dit balkon. Wie komen daar dan wonen? Hooggeplaatsenen natuurlijk. Zij, die dit uitzicht nodig hebben om het laaggelegen Nederland te behoeden voor achteruitgang; ministers, bankdirecteuren en captains of industry bijvoorbeeld. Eindelijk zullen zij de facto hooggeplaatst zijn.

Mijn huis zal opgekocht worden, uitzichtbelemmerende bomen en torens zullen worden gerooid of afgebroken. De wegen naar het gehucht zullen vierbaans worden. Er zal iedere week een feest georganiseerd worden. De autochtonen zullen vertrekken met een buidel vol geld op zoek naar een ander gehucht met slechts een feest in de vijf jaar.

 

Ik had de Far-Oereilanden in mijn gedachten, tot ik, o schrik, in de krant las, dat hun voetbalelftal gewonnen had van Oostenrijk.

 

Jacques Keiren

Dit artikel werd afgedrukt in het bekende weekblad Vrij Nederland in de zomer van 1991. Het artikel werd door Jacques Keiren ingezonden naar aanleiding van een oproep om eens van je af te schrijven, welke gevoelens de Europese eenwording opriep. Er werden meer dan 400 artikelen ingezonden, waarvan er 35 werden gepubliceerd, waaronder het bovenstaande.