De opmars van Trintelen in de vaart der volkeren

< vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 volgende >

Na de angsten en de spanningen van ruim 4 jaar bezetting leefde Trintelen na 1945 snel weer op. Onmiddellijk na de bevrijding verleenden vele dorpsbewoners gastvrij onderdak aan geevacueerden uit Kerkrade. Deze stad werd ontruimd, omdat ze nog lang in de vuurlinie bleef liggen. De tegenspartelende Duitse troepen konden met hun granaten zelfs nog tot Imstenrade komen, maar Trintelen lag veilig. Vele Kerkradenaren kenden de Trintelse bevolking, omdat ze hier gedurende de bezetting voedsel konden kopen. Nu zochten velen hier hun toevlucht. Ze kregen gratis 14 dagen voedsel en onderdak.

Na de bevrijding kwamen nog veel vetgemeste varkens te voorschijn, die bijvoorbeeld onder de bakovens waren verstopt. Soms weigerden deze boven water te komen, logisch, het was zo lekker warm daar. Achterstevoren, met een mand over de kop en getrokken aan staart en poten, slaagde men erin ze toch naar buiten te krijgen. Daar wachtte de slager en korte tijd later hing het koele varkenslijk ondersteboven aan een ladder.

De mensen hervatten hun werk, op het land, in de mijn. Bijna iedereen had nog zijn eigen koe, zijn eigen varken, zijn eigen wei. Het gehucht bleef voorlopig zelfvoorzienend. Toen kwam de ontwikkeling van de techniek ook naar Trintelen. Op de Trintelerhof kocht men in 1947 de eerste tractor, waardoor langzamerhand het gebruik van werkpaarden verdween. Huveneers moest zelfs rijexamen afleggen om de tractor te mogen gebruiken. Hij moest laten zien, dat hij hem op de rijweg kon keren.

Ook de auto rukte op. Frans Meijs had al de eerste vóór de oorlog. Huveneers kocht er een in 1951 en de familie Urlings in 1953. De broers Urlings tuften nu iedere morgen per auto naar de mijn en parkeerden daar hun grote Opel zo maar naast het Fordje van een bedrijfsingenieur. Dat duurde niet lang. De Urlingsen kregen bevel hun grote slee elders te parkeren. Zo lagen toen nog de gezagsverhoudingen. De grote technicus op Trintelen was de postbode Frans Meijs, wonende in de Roskoel. Hij had de eerste auto, de eerste motor en radio’s. Hij kon alles, wat blijkt uit de volgende anecdote.

In een Trintels gezin werden de kinderen onderwezen in het geloof en er werd gesproken over de “Herrgott”, die alles zag en alles kon. “Behalve radio’s repareren, dat kan alleen Frans Meijs”, zei de kleine dochter vinnig.

Voorlopig bleven de cafe’s en de winkels nog bestaan. Ook de stroopfabriek van Peter Geurts, die nog vooroorlogs was. Het “molteren” was nog steeds in zwang. Als een klant zijn appels en peren liet verwerken tot stroop, dan schepte de fabrikant een hoeveelheid stroop over in zijn eigen potten. Zo werd betaald. Ook de molenaars deden dat met het meel. Soms werd echter te veel overgeheveld in de eigen potten en zakken. Daartegen gingen tijdens de missie in de kerk van Eys de Redemptoristen te keer en dreigden met hel en verdoemenis. Dan kon het gebeuren, dat onterecht verkregen goederen stilletjes terugbezorgd werden bij de gedupeerden.

Intussen zag je de maatschappij veranderen. Vooral na 1955 ging dat snel. De landbouw werd van klein- grootschalig. Tot dan waren er in Trintelen nog acht boeren, die met hun boerderij volledig hun kost verdienden, namelijk Huveneers, Thiessen, Voncken, Boumans, Spijkers, Dormans, Wierts en Maas. Tenslotte zijn alleen de eerste drie overgebleven, terwijl Muris later begonnen is. Nu zijn er dus nog vier agrariers, die samen meer vee hebben en land bewerken dan vroeger heel Trintelen samen. Terwijl eerder vooral gemengd bedrijf werd uitgeoefend, ontstond in de 60er jaren de specialisatie, ofwel vee- of akkerbedrijf.

De zich snel ontwikkelende economie had tot gevolg, dat er ook bedrijvigheid ontstond in de woningbouw. Eerst werden enkele huizen gemoderniseerd in het kader van de krotopruiming, later kwamen er nieuwe huizen, zodat Trintelen voor het eerst sinds 200 jaar groeide. De Eyserweg mocht aan één zijde bebouwd worden. In 1967 verrees het eerste nieuwe huis aan de Eyserweg, richting Mingersborg, het huis van Ger Meessen.

Daama werd de Eyserweg binnen 10 jaren volgebouwd met landhuizen en bungalows. De forensen deden hun intrede. Nu telt Trintelen ongeveer 55 huizen en is de koek op. Momenteel is er geen enkele bouwplaats meer beschikbaar. De Trintelse hoogten zijn tot een soort landschapspark verklaard en tot zogenaamd stiltegebied. Deze stilte ervaar je alleen op de voetpaden en veldwegen, want met name de Eyserweg is zeer druk geworden door het modeme woon-werkverkeer. Voetgangers op deze weg moeten soms angstig snel uitwijken om niet onder de wielen te komen. Trintelen probeert de gemeente ervan te overtuigen, dat er maatregelen genomen moeten worden, maar tot nu toe is dat aan dovemansoren gezegd.

Trintelen kreeg in de jaren 70 ook enkele noodzakelijke moderne voorzieningen. Het feit, dat Trintelen enige jaren een wethouder leverde in de persoon van Mat Urlings, zal daartoe zeker bijgedragen hebben. Achtereenvolgens werd de electriciteit ondergronds gelegd, op vele plaatsen langs de Eyserweg en de Hamerstraat werden straatlantaams geplaatst, die tot diep in de nacht het gehucht verlichten. Vervolgens kreeg Trintelen een nieuwe riolering en werd de Eyserweg voorzien van molgoten en opnieuw geasfalteerd. Trintelen werd rijp voor de vaart in de nieuwe tijd. Intussen had iedereen een auto en men kon inkopen gaan doen tot ver in de regio. De laatste winkel verdween in 1975, toen de cafe’s allang gesloten waren. De Trintelse mensen gingen hun vertier elders zoeken.

Rond 1980 kwam Hub Eussen op het spoor van de door de Nederlandse Heidemaatschappij uitgeschreven wedstrijd “Een kern waar pit in zit”. Deze wedstrijd beoogde kleine kernen te bekronen, indien zij op eigen initiatief en met eigen middelen een voor de gemeenschap belangrijk project realiseerden. Hub wist de buurtvereniging achter zich te krijgen met zijn plan om het puthuis, dat na de tweede wereldoorlog verdwenen was, opnieuw op te bouwen. Tot dat moment lag over de diepe put een betonnen plaat, waarover gras groeide. In maart 1982, toen de laatste sneeuw het pleintje bedekte, werd de eerste schop in de grond gestoken. Het herstel was gestart. De werkzaamheden wakkerden het samenwerkingsgevoel aan en steeds meer helpers meldden zich om te graven, te metselen, te timmeren en te schilderen. Het puthuis verrees, identiek aan het 19e eeuwse, met putwiel, putemmer en al.

Toen het puthuis klaar was, kwam het bericht dat Trintelen zowel in Limburg als in Nederland een eerste prijs had gewonnen. De hele Trintelse gemeenschap toog naar Maastricht om in het provinciehuis de Limburgse prijs in ontvangst te nemen. Maar het hoogtepunt kwam daarna. Trintelen werd uitgenodigd om in de Jaarbeurshallen van Utrecht de nationale prijs te komen halen. En daar reed een feestbus naar Utrecht. Onder luid applaus en het zingen van “Waar in bronsgroen...” ontving Hub Eussen uit handen van een minister een oorkonde, een plaquette en 1000 gulden, als beloning voor de collectieve inzet. Terug thuis werd in cafe Oad Ees nog lang nagefeest.

Het grote zomerfeest, dat daarna in Trintelen werd georganiseerd, bracht honderden mensen naar de put met zijn nieuwe puthuis en de overwinningsroes ebde slechts langzaam weg. Rond de put, op de nieuwe banken, zou nu het gemeenschapsleven van Trintelen nieuwe impulsen krijgen.

Helaas, de volgende jaren maakten vooral wandelaars en fietsers, moe na het beklimmen van de Trintelse hewels, gebruik van het putpleintje. Maar toch, ga eens op een milde avond, zo tegen achten ‘s avonds, op de bank zitten en binnen enkele minuten heb je gezelschap en dat is aangenaam.

In 1987 ontstond een nieuw initiatief. Reeds jaren plantte de buurt een meiden in juni bij het pleintje, waarna op bescheiden wijze werd gewandeld en gefeest. Die juniden zou een permanent karakter moeten krijgen. Vooral de buurtleden Wiel Stijfs en Ger Meessen kwamen in actie om een fraaie boom te ontwerpen. En ziedaar, in juni 1987 werd met vereende krachten een 18 meter hoge boom tegenover het puthuis omhoog gehesen en vast verankerd. Geschilderd in wit en blauw, versierd met fraaie borden, die de verschillende beroepen in Trintelen en het Eyser verenigingsleven uitbeelden, blijft de boom desondanks een teken van tegenspraak in het gehucht. De een vindt hem mooi, de ander vindt, dat hij niet past in deze omgeving. Intussen is de hoge boom verveloos geworden en maakt de buurtvereniging zich zorgen over zijn toekomst.

Op een bord aan de boom staat de Romeinse spreuk: Alta alatis patent. Vrij vertaald betekent deze, dat voor wie vleugels heeft, de hoogte openstaat. Een symbolische tekst voor het gehucht. Hooggelegen kan Trintelen ver kijken, veel zien, vooruit blikken. Naar de drempel van de 21e eeuw.

terug              verder